Ja, Psalm 1 vers 1 is zeker berijmd. In de bekende berijming van 1773 luidt de eerste regel: "Welzalig hij, die in der bozen raad / Niet wandelt, noch op 't pad der zondaars staat..."
Psalm 1 (berijming 1773) Vers 1: Welzalig hij, die in der bozen raad, Niet wandelt, noch op 't pad der zondaars staat, Noch nederzit, daar zulken samenrotten, Die roekeloos met God en godsdienst spotten; Maar 's Heeren wet blijmoedig dag en nacht Herdenkt, bepeinst en ijverig betracht.
De gezegende weigert zich te scharen bij zondaars: bij hen die ervoor kiezen om kwaad te doen. Bovendien weigert hij zich aan te sluiten bij degenen die God bespotten, de rechtvaardigen bespotten of zich verzetten tegen alles wat deugdzaam is. Dit vers beschrijft een neerwaartse spiraal.
Psalm 121 (berijming 1773) Vers 1: 'k Sla d' ogen naar 't gebergte heen, Vanwaar ik dag en nacht Des Hoogsten bijstand wacht. Mijn hulp is van den HEER alleen, Die hemel, zee en aarde Eerst schiep, en sinds bewaarde.
Psalm 110 (berijming 1773) Vers 1: Dus heeft de Heer' tot mijnen Heer' gesproken: "Zit op den troon ter rechterhand naast Mij, Tot Ik de macht Uws vijands hebb' verbroken, En u zijn nek tot ene voetbank zij." Vers 2: Uit Sion zal de Heer' Uw schepter zenden, Den schepter van Uw oppermogendheid, En zeggen: "Heers tot 's ...
De hoop van een krijger-priester-koning
Psalm 110 gaat over de triomf van de Messias uit het geslacht van David. Hij is een koning die door Jahweh wordt aangesteld op de hoogste troon in het universum. Hij zal aan Gods rechterhand zitten en Gods macht en gezag over de aarde bemiddelen, totdat Jahweh al zijn vijanden tot een voetbank voor zijn voeten maakt (Psalm 110:1).
Een van hen is David, de psalmist. Een ander is JHWH, die God de Vader is (Exodus 3:15). De derde is iemand die David zijn eigen "Adonai" of "Heer" noemt. Deze uitspraak wordt herhaaldelijk in het Nieuwe Testament aangehaald ter ondersteuning van Jezus' beweringen dat Hij zowel God als Messias is (Matteüs 22:44; Handelingen 2:34-35; Hebreeën 1:13).
Psalm 121 biedt dus woorden van zekerheid dat als de gelovigen hun blik gericht houden op de bron van hun ‘hulp’, de Heer, ‘de maker van hemel en aarde’, die ‘niet sluimert’, hen inderdaad ‘zal bewaken, beschermen’ en ‘een schaduw zal zijn’. Als we onze ogen afwenden van de bron van onze zekerheid, wanneer...
Psalm 122 (berijming 1773) Vers 1: Ik ben verblijd, wanneer men mij Godvruchtig opwekt: "Zie wij staan Gereed, om naar Gods huis te gaan. Kom, ga met ons, en doe als wij." Jeruzalem, dat ik bemin; Wij treden uwe poorten in; Daar staan, o Godsstad, onze voeten.
Psalm 121 is een krachtig pelgrimslied over Gods bescherming op reis. De preek richt zich op drie hoofdlijnen: omhoogkijken in nood (hulp van de Schepper), opzijkijken voor houvast (God als schaduw) en vooruitkijken met vertrouwen (de wachter die nooit slaapt).
De les is duidelijk: vermijd het gezelschap en de raad van hen die je van het goede afleiden. De psalm benadrukt vervolgens de vreugde van de rechtvaardigen in de wet van de Heer. Deze vreugde is niet passief, maar een actieve betrokkenheid bij Gods leer, door er dag en nacht over te mediteren.
Psalm 1: Een wijsheidspsalm
Psalm 1 wordt wel een wijsheidspsalm genoemd. Hij begint met een vergelijking tussen de rechtvaardige en de goddeloze. Dit contrast, in negatieve termen, richt zich aanvankelijk op wat de rechtvaardige níét doet: hij wandelt, staat of zit niet met de goddelozen.
Om over de Schrift te mediteren, moet je die natuurlijk wel memoriseren. Psalm 1 moedigt ons aan om de Schrift te memoriseren, erover te mediteren en er zelfs mee te bidden en te zingen. De psalm belooft dat wie dit doet, zal zijn als een boom geplant aan het water, waarvan het leven bloeit. Dat is een belofte waarop je kunt vertrouwen.
Psalm 1:1 gebruikt negatieve taal om aan te geven waar de rechtvaardigen hun tijd NIET zouden moeten doorbrengen. Ze zouden NIET in het kielzog van de goddelozen moeten wandelen; ze zouden NIET op de weg van de zondaars moeten staan; ze zouden NIET in het gezelschap van spotters moeten zitten. Psalm 1 zet twee levenswijzen tegenover elkaar: die van de rechtvaardigen en die van de goddelozen.
Het algemene genre van de Psalmen is " Poëzie en Liederen ". We kunnen dat het liederen zijn vanwege de muzikale aanwijzingen, de titels die gericht zijn op koorleiders, de verwijzingen die liederen verbinden met specifieke gebeurtenissen (bijvoorbeeld "Lied van de Opgang"), en het feit dat het woord "Psalm" zowel lied als gedicht kan betekenen.
Psalm 51 (berijming 1773) Vers 1: Gena, o God, gena, hoor mijn gebed. Verschoon mij toch naar Uw barmhartigheden. Delg uit mijn schuld, vergeef mijn overtreden: Uw goedheid wordt noch paal, noch perk gezet.
Psalm 108 (berijming 1773) Vers 1: Mijn hart, o Hemelmajesteit, Is tot Uw dienst en lof bereid; 'k Zal zingen voor den Opperheer, 'k Zal psalmen zingen tot Zijn eer. Gij, zachte harp, gij schelle luit, Waakt op, dat niets uw klanken stuit'. 'k Zal in den dageraad ontwaken En met gezang mijn God genaken.
"Dat was een uitnodiging om op reis te gaan naar de tegenwoordigheid van de Heer. Als we Psalm 122 op die manier interpreteren, als een uitnodiging om op pelgrimstocht te gaan op zoek naar een vredig toevluchtsoord en zekere gerechtigheid, in een geest van eensgezinde lofprijzing, in de hoop in de tegenwoordigheid van God te komen, dan kunnen we enkele verbanden met de Adventstijd ontdekken."
Psalm 135 (berijming 1773) Vers 1: Prijst den Naam van uwen God, 's Heeren knechten, hier vergaard; Prijst Zijn Naam en wijs gebod, Daar g' in 't voorhof staat geschaard, En uw ambt bekleedt met eer In het huis van onzen Heer'. Vers 2: God is goed, looft Hem te zaam Met gezang en snarenspel.
Het eerste punt is dat we op de Heer moeten vertrouwen voor zijn hulp (Psalm 121:1-2) en het tweede punt is dat we op de Heer kunnen vertrouwen omdat Hij te allen tijde over ons waakt (Psalm 121:3-4), ons te allen tijde behoedt voor gevaar (Psalm 121:5-6) en ons te allen tijde beschermt tegen alle kwaad (Psalm 121:7-8).
Deze "Opgangsliederen" werden waarschijnlijk gezongen door gelovigen tijdens hun tocht naar Jeruzalem voor een van de grote feesten. Psalm 121 geeft de pelgrims de verzekering van Gods bescherming tijdens hun reis door een eenzaam landschap op weg naar en van Jeruzalem.
Psalm 121 was nu ook een van mijn favorieten. Het is een pelgrimslied, een van de vele psalmen die aan koning David worden toegeschreven, en wordt gezongen in tijden van nood. Er werd zelfs beweerd dat David zelf zich hopeloos voelde toen hij deze psalm componeerde (zie Psalm 120 voor meer inzicht in zijn problemen).
Tijdens zijn prediking op Pinksteren verkondigde Petrus dat Jezus' opstanding en hemelvaart de woorden van Psalm 110:1 vervulden (Handelingen 2:34-35). Volgens Petrus maakte God Jezus tot "Heer en Christus" toen Hij hem uit de dood opwekte en hem op de hoogste troon in het universum plaatste (Handelingen 2:36).
Psalm 110 vers 1 is een van de meest geciteerde en Messiaanse verzen in het Oude Testament. In deze psalm profeteert David over een toekomstige "Heer" (de Messias), die aan Gods rechterhand zal heersen totdat al Zijn vijanden onderworpen zijn.
De schrijvers van het Nieuwe Testament identificeerden Jezus herhaaldelijk als de Messias op basis van Psalm 110:1. Jezus was de uiteindelijke Zoon van David en tevens Davids Heer (Matteüs 22:41-46). Bovendien ziet het Nieuwe Testament de opstanding en hemelvaart van Jezus duidelijk als een vervulling van Psalm 110:1 (Efeziërs 11:1).