De twaalf stammen van Israël zijn de 12 groepen afstammelingen van Jakob, zoals Ruben, Simeon en Levi. Volgens de Bijbel komen ze voort uit de zonen van stamvader Jakob (die later de naam Israël kreeg).
De tien stammen van het noordelijke koninkrijk Israël zijn na de verovering door het Assyrische Rijk in 722 v.Chr. weggevoerd en verspreid. Ze zijn opgegaan in andere volken, gevlucht, of deels aangesloten bij het zuidelijke rijk Juda, waardoor hun unieke identiteit verloren is gegaan.
De twaalf stammen worden in verband gebracht met de zonen van Jakob: Ruben, Simeon, Levi, Juda, Dan, Naftali, Gad, Aser, Issachar, Zebulon, Jozef en Benjamin.
De "tien verloren stammen" van Israël verwijzen naar de stammen van het noordelijke koninkrijk Israël die rond 722 v.Chr. door het Assyrische Rijk werden verbannen en sindsdien uit de geschiedenis zijn verdwenen. Dit betreft de stammen Ruben, Simeon, Dan, Naftali, Gad, Aser, Issaschar, Zebulon, Efraïm en Manasse.
Naar hem werd de stam Benjamin, één van de stammen van Israël genoemd. De stam Benjamin is één van de twaalf stammen van de Israëlieten. De stam bestaat uit nakomelingen van de twaalfde en jongste zoon van Jakob, Benjamin. Benjamin was de kleinste en minst belangrijke stam van het oude Israël.
Historische en religieuze figuren die afstammen van de stam Juda zijn onder anderen koning David, koning Salomo en Jezus van Nazareth. Daarnaast herleiden de meeste moderne Joden hun afstamming tot de stam Juda.
De oorsprong van het Joodse volk ligt in het oude Midden-Oosten, in het gebied dat historisch bekendstaat als Kanaän en tegenwoordig overeenkomt met Israël en de Palestijnse Gebieden. Volgens de overlevering stammen zij af van de aartsvaders Abraham, Isaak en Jakob, die zich ruim 3000 jaar geleden in deze regio vestigden.
Efraïm (stam) De stam van Efraïm is in de Hebreeuwse Bijbel een van de twaalf stammen van het volk Israël. Het was tevens de meest dominante stam in het latere koninkrijk Israël.
De Bijbelse basis voor het idee van verloren stammen is te vinden in 2 Koningen 17:6: "In het negende jaar van Hosea nam de koning van Assyrië Samaria in en voerde Israël weg naar Assyrië. Hij vestigde hen in Halah, in Habor, aan de rivier Gozan en in de steden van de Meden."
Wanneer de stammen van Israël in het boek Openbaring worden genoemd, wordt de stam van Dan op mysterieuze wijze weggelaten en vervangen door een van Jozefs zonen. De reden hiervoor is niet duidelijk, maar heeft mogelijk te maken met het feit dat de stam zich afkeerde om afgoden te aanbidden.
In het christendom wordt Jakob gezien als een voorafschaduwing van Christus, en zijn zonen als voorbodes van de Twaalf Apostelen. Jakobs zonen waren de nakomelingen van vier vrouwen: zijn twee echtgenotes, Lea en Rachel, en twee bijvrouwen, Bilha en Zilpa. Met Lea had Jakob ook een dochter, Dina.
Juda en Israël waren in de oudheid twee aparte koninkrijken die ontstonden na een scheuring in het verenigde rijk. Het noordelijke koninkrijk Israël omvatte tien stammen, terwijl het zuidelijke koninkrijk Juda bestond uit de stammen Juda en Benjamin.
Aartsvader Jakob, zoon van Isaak, had van vier vrouwen (Lea, Rachel, Bilha, Zilpa) zonen en dochters. Slechts één dochter wordt met name genoemd: Dina. Lea baarde zes zonen en Dina. Lea's zuster Rachel kreeg Jakobs twee jongste zonen.
Volgens het Bijbelse verhaal was Juda op zijn hoogtepunt de belangrijkste stam van het koninkrijk Juda en besloeg het grootste deel van het koninkrijk, met uitzondering van een klein gebied in het noordoosten dat door Benjamin werd bewoond, en een enclave in het zuidwesten die door Simeon werd bewoond.
Volgens de Bijbel speelt het land en het volk van Israël een centrale rol in de eindtijd, gekenmerkt door het herstel van het Joodse volk in het eigen land, de wereldwijde strijd rond de stad Jeruzalem en de uiteindelijke redding van Israël bij de wederkomst van de Messias.
Mozes was de zoon van Amram en Jochebed, beiden Israëlieten uit de stam Levi, en werd in het Egyptische hof opgevoed door de dochter van de farao, zodat hij niet door de mannen van de farao gedood zou worden zoals de andere Israëlische jongetjes.
"Historisch gezien bestond de natie Israël uit twaalf stammen, maar tegenwoordig stammen de Joden voornamelijk af van het koninkrijk Judea, dat slechts uit tweeënhalve stam bestond: Juda, Benjamin en Levi..."
Dit is gebaseerd op teksten uit de Hebreeuwse Bijbel, vooral die waarin God aan aartsvader Abraham een land voor zijn nakomelingen beloofde, het Beloofde Land. Volgens de Bijbel zijn dit de Israëlieten, de nakomelingen van Abrahams kleinzoon Jakob, die later Israël genoemd werd.
Vrijwel de hele stam Benjamin werd door de andere Israëlieten uitgeroeid. Zeshonderd mannen van de stam Benjamin overleefden door zich vier maanden lang in een grot te verschuilen. De tekst verwijst meerdere malen naar de Benjaminitische krijgers als "helden", ondanks hun nederlaag.
De stammen van Israël zijn de traditionele indelingen van het oude Joodse volk. Volgens de Bijbelse traditie stammen de twaalf stammen van Israël af van de zonen en kleinzonen van de Joodse voorvader Jakob en worden ze "Israël" genoemd naar de naam die God aan Jakob gaf.
Tzamarot Ayalon (Hebreeuws: צמרות איילון) is een wijk in Tel Aviv, Israël, in het oostelijke deel van het centrum van de stad. Het wordt beschouwd als de rijkste wijk van Israël. De wijk wordt door de Ya'akov Dori-straat in twee delen verdeeld.
Volgens Exodus 12:37-38 waren de Israëlieten met ongeveer 600.000 man te voet (vrouwen en kinderen niet meegerekend), plus vele niet-Israëlieten en hun vee. Dat zou neerkomen op 2.000.000 mensen.
Ja, seks is in het Jodendom niet alleen toegestaan, maar het wordt gezien als een heilige plicht en een gave van God binnen het huwelijk. Het is geen zonde of iets vies, en het dient zowel voor de voortplanting als voor wederzijdse liefde en plezier.
Het Joodse volk heeft door de eeuwen heen geen eigen thuisland gehad. In 1917 krijgen zij een plek in Palestina, op dat moment een mandaatgebied van Groot-Brittannië. De spanningen tussen de Joodse immigranten en de lokale Arabische bevolking nemen gedurende de jaren hierna steeds verder toe.
Binnen het jodendom worden niet-joden over het algemeen gojiem (meervoud) of goj (enkelvoud) genoemd. Dit is Hebreeuws en betekent letterlijk 'volk' of 'natie'. Daarnaast wordt in westerse talen vaak de term gentiles gebruikt, wat is afgeleid van het Latijn voor 'volken' of 'heidenen'.