Worden is een heel belangrijk Nederlands werkwoord dat betekent dat iets verandert, ontstaat, of als hulpverwerkwoord wordt gebruikt voor de lijdende vorm (passief).
Het werkwoord worden betekent veranderen in een andere toestand, iets in de toekomst gaan doen of de lijdende vorm van een zin maken. Je kunt het op drie manieren gebruiken: als verandering (zoals "het wordt koud"), als toekomstige rol ("hij wordt dokter") of als hulpwerkwoord ("het huis wordt geverfd").
Of je wordt of worden gebruikt, hangt af van het onderwerp in de zin: wordt gebruik je bij enkelvoud (hij, zij, het, of jij als het achter het werkwoord staat) en worden gebruik je bij meervoud (wij, jullie, zij) of als het hele werkwoord.
Het werkwoord worden vervoeg je in de tegenwoordige tijd als ik word, jij wordt en wij worden.
Synoniemen die ontstaan
Omdat het een werkwoord is dat zo'n fundamenteel concept aanduidt, heeft 'worden' vanzelfsprekend verschillende synoniemen, met name gaan, komen, draaien en krijgen.
Een goed synoniem voor "worden" is ontstaan, groeien of komen, afhankelijk van de zin waarin je het gebruikt. Je kunt voor een compleet overzicht ook kijken op Synoniemen.net.
Verenigen, samensmelten, consolideren, samenwerken, zich aansluiten, verbinden, ontmoeten, samensmelten, versterken, verenigen. STERK.
De tegenwoordige tijd van 'worden' is 'wordt' of 'worden'. Het woord verandert afhankelijk van het voornaamwoord dat eraan voorafgaat. Bij gebruik van een eigennaam, hij, zij of het, is het woord 'wordt'. Bij gebruik van zij, ik, wij of jullie is het woord 'worden'.
Als een werkwoordelijke eindgroep met een voltooid deelwoord meer dan twee werkwoorden bevat, staat het voltooid deelwoord bij voorkeur helemaal in het begin van de eindgroep of volledig aan het eind, maar beter niet tussen de andere werkwoorden in. Er zou meer gedaan moeten worden / moeten worden gedaan.
De derde persoon enkelvoud wordt normaal gesproken gevormd door een “t” achter de stam te plakken, maar het werkwoord willen is een van de uitzonderingen op deze regel. Bij het werkwoord willen is de derde persoon enkelvoud gelijk aan de eerste persoon enkelvoud: hij wil, zij wil en het wil.
Het is wordt (met dt) of word (met d), afhankelijk van wie het onderwerp is.
Nee, "ik wordt" is fout; je schrijft altijd ik word. Een ik-vorm van een werkwoord krijgt in de tegenwoordige tijd nooit een extra t.
/bɪˈkʌm/ Andere vormen: became; becomes; becoming. Worden betekent evolueren, veranderen in, of tevoorschijn komen als iets.
Wordt is de vervoeging van het werkwoord worden in de tegenwoordige tijd (hij/zij/het wordt, of als höflikheidsvorm wordt u), en betekent dat iemand of iets ergens in verandert, ontstaat of een bepaalde toestand bereikt. Meer informatie en taaltips vind je bij Onze Taal.
(1) Grieks ginomai, gebruikt in het Nieuwe Testament voor een verandering van toestand, overeenkomend met Hebreeuws hayah uit het Oude Testament.
Een veelgemaakte fout bij het werkwoord 'worden' is het verwarren van de verleden tijd (' werd ') met het voltooid deelwoord ('worden'). In het Engels wordt de verleden tijd gebruikt voor handelingen die op een specifiek moment in het verleden plaatsvonden, terwijl het voltooid deelwoord vaak wordt gebruikt in voltooide tijden en passieve constructies.
Engelse voorbeelden van zinnen in de onvoltooid tegenwoordige tijd. Ik kook elke dag. De zon komt op in het oosten. Ze speelt met haar broer. Ze draagt haar kind naar bed. Helpt ze Tom? Haar broer is erg rijk.
De basisvorm (V1) wordt gebruikt in de onvoltooid tegenwoordige tijd en infinitieven (bijv. ik eet). De verleden tijd (V2) geeft een voltooide handeling in het verleden weer (bijv. ik at gisteren). Het voltooid deelwoord (V3) wordt gebruikt in voltooide tijden en de passieve vorm (bijv. ik heb gegeten).
De verleden tijd van het werkwoord worden is werd (enkelvoud) en werden (meervoud).
Beide vormen bestaan, maar gevernist is het juiste voltooid deelwoord volgens de officiële spelling. De vorm "vernist" wordt in de spreektaal wel vaak gebruikt, maar staat niet als correcte norm beschreven in de woordenboeken. DBNL - Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren
Het is altijd ik word (zonder t). De vorm ik wordt is fout als het over jezelf gaat.
Je kunt het bijvoeglijk naamwoord ook gebruiken in de betekenis van "gepast", zoals wanneer een strenge kleuterjuf zegt: "Dat gedrag is niet gepast, jongens." In de 13e eeuw betekende iets dat gepast was "passend", en tegen de jaren 1560 betekende het ook "er goed uitzien". Het tegenovergestelde van gepast is ongepast.
Geschikt; passend; juist. Een gepaste gedachte. Synoniemen: passend, fatsoenlijk, congruent, deftig, juist, geschikt, passend, gepast.
Een ander woord voor volgorde is opeenvolging, rangorde of reeks. Woorden.org